Hof van Justitie van de Europese Unie richt zich op het verwijderen van zoekmachines in het arrest van Landmark

The Court of Justice of the European Union concludes that, currently, there is no obligation under EU law, for a search engine operator who grants a request for de-referencing made by a data subject, as the case may be, following an injunction from a supervisory or judicial authority of a Member State, to carry out such a de-referencing on all the versions of its search engine.

en flag
nl flag
fr flag
de flag
pt flag
es flag

Mededeling van de pers van het Hof van Justitie van de Europese Unie

Arrest in zaak C-507/17 Google LLC, rechtsopvolger van Google Inc. tegen Commissie nationale de l'informatique et des libertés (CNIL)

De exploitant van een zoekmachine is niet verplicht een de-verwijzing uit te voeren op alle versies van zijn zoekmachine. Het is echter nodig dat de verwijzingen naar de versies van alle lidstaten worden verwijderd en maatregelen worden genomen die internetgebruikers ontmoedigen om toegang te krijgen van een van de lidstaten tot de desbetreffende links die in versies van die zoekmachine buiten de EU voorkomen.

Bij vonnis van 10 maart 2016 heeft de voorzitter van de Commissie nationale de l'informatique et des libertés (hierna: „CNILL”) Google Inc. een boete van 100 000 EUR opgelegd wegens de weigering van die onderneming om een verzoek tot verwijdering van de referenties toe te passen op al haar zoekmachine domeinnaam extensies.

Google Inc., die door het CNIL op 21 mei 2015 formeel in kennis is gesteld om de dereferencing toe te passen op alle extensies, had dit geweigerd en beperkt zich tot het verwijderen van de betreffende links alleen uit de resultaten die worden weergegeven na zoekopdrachten van de domeinnamen die overeenkomen met de versies van de zoekmachine in de lidstaten. Google Inc. heeft de Conseil d'État (Raad van State, Frankrijk) verzocht de uitspraak van 10 maart 2016 nietig te verklaren. Zij is van mening dat het recht op verwijdering van verwijzingen niet noodzakelijk vereist dat de betrokken links zonder geografische beperking uit alle domeinnamen van haar zoekmachine worden verwijderd.

De Conseil d'État heeft het Hof verschillende prejudiciële vragen gesteld om na te gaan of de regels van het EU-recht betreffende de bescherming van persoonsgegevens (1) aldus moeten worden uitgelegd, dat wanneer een exploitant van zoekmachines een verzoek tot dereferentie indient, dat de exploitant verplicht is deze verwijdering uit te voeren op alle versies van zijn zoekmachine of dat hij dit alleen hoeft te doen in de versies van die zoekmachine die overeenstemt met alle lidstaten of alleen op de versie die overeenkomt met de lidstaat van verblijf van de persoon profiteren van de de-refercing.

In het arrest van vandaag herinnert het Hof eraan dat het reeds heeft geoordeeld (2), dat de exploitant van een zoekmachine verplicht is de lijst van resultaten te schrappen die wordt weergegeven na een zoekopdracht op basis van een naamslinks naar webpagina's die door derden zijn gepubliceerd en die informatie bevatten over deze persoon, ook wanneer die naam of informatie niet vooraf of gelijktijdig van die webpagina's wordt gewist, en zelfs, in voorkomend geval, wanneer de publicatie ervan op zich op die pagina's rechtmatig is.

Het Hof wijst er vervolgens op dat de vestiging van Google Inc. op Frans grondgebied activiteiten verricht, waaronder commerciële en reclameactiviteiten, die onlosmakelijk verbonden zijn met de verwerking van persoonsgegevens die met het oog op de exploitatie van de betrokken zoekmachine worden verricht, en in de tweede plaats, dat De zoekmachine moet, onder meer gezien het bestaan van gateways tussen de verschillende nationale versies, worden beschouwd als het verrichten van één enkele handeling van gegevensverwerking in het kader van de activiteiten van de Franse vestiging van Google Inc.. Een dergelijke situatie valt dus binnen de werkingssfeer van de EU-wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens.

Het Hof benadrukt dat in een geglobaliseerde wereld de toegang van internetgebruikers — ook buiten de EU — tot het verwijzen van een link naar informatie over een persoon wiens belangencentrum zich in de EU bevindt, waarschijnlijk onmiddellijke en aanzienlijke gevolgen zal hebben voor die persoon binnen de EU zelf, zodat een wereldwijde verwijdering van referenties volledig zou voldoen aan de doelstelling van bescherming die in het EU-recht wordt genoemd. Er wordt echter gesteld dat talrijke derde landen het recht op dereferering niet erkennen of een andere benadering van dat recht hanteren. Het Hof voegt hieraan toe dat het recht op bescherming van persoonsgegevens geen absoluut recht is, maar moet worden beschouwd in verband met zijn maatschappelijke functie en moet worden afgewogen tegen andere grondrechten, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel. Bovendien zal het evenwicht tussen het recht op privacy en de bescherming van persoonsgegevens enerzijds en de vrijheid van informatie van internetgebruikers anderzijds over de hele wereld aanzienlijk verschillen.

Uit de wetsteksten blijkt echter niet dat de wetgever van de EU een dergelijk evenwicht heeft gevonden met betrekking tot de reikwijdte van een verwijzingsprocedure buiten de EU, noch dat hij ervoor heeft gekozen de rechten van personen die buiten het grondgebied van de lidstaten zouden gaan, een draagwijdte te geven. Uit deze teksten blijkt ook niet dat zij voornemens was een exploitant, zoals Google, op te leggen die ook betrekking heeft op de nationale versies van zijn zoekmachine die niet met de lidstaten overeenstemmen. Bovendien voorziet het EU-recht niet in samenwerkingsinstrumenten en -mechanismen met betrekking tot de reikwijdte van een deverwijzing buiten de EU.

Derhalve concludeert het Hof dat een zoekmachine-exploitant die een verzoek tot verwijdering van verwijzingen van een betrokkene indient, naar gelang van het geval, op grond van een bevel van een toezichthoudende of rechterlijke autoriteit van een lidstaat, momenteel niet verplicht is om een dergelijke verwijdering uit te voeren op alle versies van de zoekmachine.

Volgens de EU-wetgeving moet een exploitant van zoekmachines een dergelijke verwijzing uitvoeren op de versies van zijn zoekmachine die overeenstemt met alle lidstaten en voldoende doeltreffende maatregelen nemen om de grondrechten van de betrokkene effectief te beschermen. Een dergelijke verwijdering moet dus zo nodig vergezeld gaan van maatregelen die een internetgebruiker die een zoekopdracht vanuit een van de lidstaten uitvoert op basis van de naam van een betrokkene daadwerkelijk verhinderen of op zijn minst ernstig ontmoedigen om toegang te krijgen via de lijst van resultaten die wordt weergegeven op die zoekopdracht, via een versie van die zoekmachine „buiten de EU, naar de links waarop het verzoek tot verwijdering betrekking heeft. Het staat aan de nationale rechter om na te gaan of de maatregelen van Google Inc. aan deze eisen voldoen.

Tot slot merkt het Hof op dat het EU-recht momenteel niet vereist dat voor alle versies van de zoekmachine een verwijzingsprocedure wordt uitgevoerd, maar ook een dergelijke praktijk niet verbiedt. Bijgevolg blijven de autoriteiten van de lidstaten bevoegd om, in het licht van de nationale normen voor de bescherming van de grondrechten, het recht van een betrokkene op persoonlijke levenssfeer en de bescherming van hem betreffende persoonsgegevens, enerzijds, en het recht op vrijheid van informatie, af te wegen. andere, en, na afweging van deze rechten tegen elkaar, de exploitant van die zoekmachine in voorkomend geval te gelasten een de-verwijzing uit te voeren voor alle versies van die zoekmachine.

OPMERKING: Met een verzoek om een prejudiciële beslissing kunnen de rechterlijke instanties van de lidstaten, in geschillen die bij hen zijn aanhangig gemaakt, vragen aan het Hof van Justitie stellen over de uitlegging van het recht van de Europese Unie of de geldigheid van een handeling van de Europese Unie. Het Hof van Justitie beslist niet zelf over het geschil. Het staat aan de nationale rechterlijke instantie om de zaak te beslechten overeenkomstig de uitspraak van het Hof, die eveneens bindend is voor andere nationale rechterlijke instanties waarvoor een soortgelijk probleem aan de orde is gesteld. Voor de media bestemd niet-officieel document, dat het Hof van Justitie niet bindt.

(1) Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281, blz. 31) en Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46 (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119, blz. 1, en rectificatie PB 2018 L 127, blz. 2).

(2) Zaak: C-131/12 Google Spanje en Google zie Persmededeling 70/14. www.curia.europa.eu

Volledige PDF kopie van het Hof van Justitie van de Europese Unie Persbericht nr. 112/19, 24 september 2019

Hof van Justitie van de Europese Unie Mededeling aan de pers nr. 112:19 — 092419

Aanvullend lezen

InfoCuria Jurisprudentie - Zaak 507/17 - Arrest - 24 september 2019

InfoCuria jurisprudentie - Zaak 507/17 - Advies - 10 januari 2019

InfoCuria jurisprudentie - Zaak 507/17 - Toepassing - 29 september 2019

Bron: ComplexDiscovery